Partner

Partner: De Nederlandse Boekengids

Zie de website van De Nederlandse Boekengids.

Welkom in het antropoceen – het tijdperk van de mens. Of kunnen we beter spreken van het einde van de mens? Onze ecologische toekomstverbeelding lijdt onder een impasse: we worden overspoeld met enerzijds futuristische voorbeelden van het optimistische geloof in wetenschappelijke vooruitgang en anderzijds dystopische visioenen van de apocalyps. Kunnen we optimisme en dystopie samen denken, op zoek naar een uitweg?

Als Menno ter Braak in september 1939 voor het eerst in zijn leven een dagboek begint bij te houden, verliest hij de strakke compositie en de gecondenseerde stijl die zijn artikelen en essays kenmerken. Het is de maand van de oorlogsverklaring van Engeland, de Duitsers vallen Polen binnen, de Fransen doen iets in de Elzas maar niemand weet wat, vliegtuigen vliegen over – of en wanneer Nederland zal worden binnengevallen is onzeker. Ter Braak is duidelijk in de war en schrijft: ‘Het denken aan mijn roman, dat me de laatste maanden voortdurend bezig hield, is sedert het uitbreken van de oorlog geheel verdwenen. Men kan zich niet bezighouden met fictieve figuren, zolang deze oorlogstoestand ons behoort te trainen in het opgeven van ficties.’

Ta-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij blijkt het literaire startschot geweest te zijn voor een hevige discussie over ras en (on)gelijkheid, ook in Nederland. Ter discussie staat de vermeende volharding van racistische overwegingen in de politiek, en de status van het debat over racisme in de politiek: wie voeren het debat en heeft het wel de gewenste uitwerkingen? Kim Schoof merkt op dat alle besprekingen zich richtten op het onderwerp van het boek in plaats van op de talige verzetsdaad die het boek zélf is. Door Tussen de wereld en mij in de eerste plaats als daad van verzet te lezen, wordt echter duidelijk hoe het boek juist als literair werk een politieke lading draagt.

Er zijn geen spelelementen opgenomen in de kantooromgeving waar ik werk. Dat is niet verrassend: iedereen die er binnenkomt, gaat direct aan de slag. Spelen of fysieke oefening wordt er in algemeen gezien als vrijetijdsbeoefening en daar is nu eenmaal geen ruimte voor op het werk. Een functioneel ingerichte omgeving is gebruikelijk bij kantoorgebouwen; ruimte voor spelen is er slechts zelden, en als het er al is dan is het voor de kinderen. Dit geldt ook voor mijn kantoor, waar op elke verdieping lange gangen zijn met daaraan ruimtes voor kleine bedrijven. Bij ons geen brainstormplek waar met behulp van vreemdsoortige meubels niet alleen de lichamen maar ook de geesten losgeschud moeten worden. Er is geen trampoline om eens uitgelaten op te springen. Er zijn zelfs geen statafels voor vergaderingen.