Essay

Was

Auteur: Jilt Jorritsma | Mentor: Jan Postma | Voor: Revisor

I

De telefoon trilt. Ik kijk naar mijn vader, die kijkt naar zijn schoonvader, die kijkt naar zijn vrouw, die weer kijkt naar mijn vader. Niemand verroert zich, in de hoop dat de stilte snel zal terugkeren. Wanneer het geluid aanhoudt pakt mijn vader de telefoon. Iedereen luistert.
‘Hallo?’
‘Hallo, ik ben op zoek naar Meta.’
‘Meta is er niet.’
‘U spreekt met Joop, van bronsgieterij Van der Steen. De mal die we voor Meta’s nieuwe beeld zouden maken is af. Ze wilde dat het vandaag in brons zou worden gegoten, maar er is denk ik een probleem…’
‘Meta is niet meer.’

Op zondag 3 juni heeft mijn moeder zichzelf opgehangen. Een dag later rijd ik met mijn vader naar een afgelegen industrieterrein vlakbij Leeuwarden. Tussen de carrosserie- en bouwmachineverhuurbedrijven staat een zwaaiende figuur in een zilveren overall. Het is Joop.
‘Gecondoleerd,’ hij schudt mijn vader de hand, ‘dit zag ik niet aankomen.’ Mijn moeder had inderdaad altijd een lach op haar gezicht, dat rijmt niet met zo’n actie.
We volgen Joop de werkplaats in. Overal liggen brokken steen, restanten van beelden die tot gruis verpulverd over de vloer zijn verspreid.
Ramen zijn er niet. Het weinige licht dat vanonder de deur naar binnendringt, wordt meteen geabsorbeerd in een grijze waas van stofdeeltjes die door de ruimte waart. Een penetrante lucht die doet denken aan verbrande olie drukt op onze longen. Ademen gaat zwaar. Tegen de muren staan kasten gevuld met oude gietmallen, een archief van vormen die eens het onbestendige hebben vertaald naar iets wat vast is. Joop wijst naar een van de mallen; samen met mijn vader draagt hij hem naar een kamer achterin de werkplaats.
Daar, op een houten tafel, zie ik haar staan, geboetseerd in een diepzwarte, matte was. Mijn moeder. Althans, de laatste buste die zij van zichzelf maakte; het originele beeld waar de mal die we in onze armen dragen naar is gevormd. Haar hoofd kijkt omhoog, ietsjes gedraaid; de ogen gesloten, opgeslokt in diepe oogkassen die de nog beweeglijke was naar beneden laten hangen. De mond is half open, haar verwrongen onderlip geplooid. Door de ruwe aanbrenging van de was lijkt de donkere, lekkende huid zich van de oppervlakte van het plastiek los te willen maken. Alsof het in alle macht probeert te ontkomen aan de dwingende, definitieve vorm die het te wachten staat.

[…]

Lees het volledige essay in Revisor 21.