Essays

Waar de dood heilig is, gebeurt online shaming al snel. De Duitse satiricus Shahak Shapira bestrafte happy tieners bij het Berlijnse Holocaustmonument, door van hun selfies wrange Auschwitzcollages te maken. Met YOLOCAUST ontrafelde hij zo de grenzen van toerisme, maar zei ook: ‘Fout. Mag je niet doen.’ Krakau heeft ook zo’n plek: het Plein van de Helden van het Getto.

Auteur: Jesse Havinga | Mentor: Daan Stoffelsen | Voor: Revisor

Death is like a river. You stand next to it and all the words fall out of your head. Waar heb ik dit gehoord? Moet dat een punt of een dubbele punt zijn, daarzo achter river? Moeten we de dood zien als een rivier omdat daar nou eenmaal altijd dingen in vallen als je er naast gaat staan of staat het los van elkaar? De dood als stromend water en daarnaast een gebeurtenis; je gaat daar staan en de woorden en de zinnen inclusief alle punten, komma’s en gedachtestreepjes, alle paragrafen van verhalen en alle verhalen zelf kukelen zomaar plompverloren je hoofd uit.

De jongen die ik mij herinner staat op de overloop als hij haar hoort. De stem komt van zolder. Het is zijn moeder. Wat ze zegt is voor hem bedoeld. Het is geen gefluister of gemompel dat hij toevallig opvangt – ze spreekt hem aan. Het klinkt helder, het klinkt helder, en duidelijk. Ze herhaalt het al weken, of maanden, wat ze nu dus ook weer luid en duidelijk uitspreekt. Als een naald die steeds precies in een pas gestold wondje wordt geprikt.

Auteur: Henk Bovekerk | Mentor: Johannes De Breuker | Voor: rekto:verso

Begin april speelde de 67-jarige Italiaanse acteur Giovanni Mongiano een voorstelling van ruim een uur voor een lege zaal. In diezelfde periode speelde er een uitverkocht stuk van Micha Wertheim in Nederlandse theaters – zonder Micha Wertheim, die zat gewoon thuis. Samen schijnen ze licht op de vraag: wanneer stelt een voorstelling echt iets voor?

Als Menno ter Braak in september 1939 voor het eerst in zijn leven een dagboek begint bij te houden, verliest hij de strakke compositie en de gecondenseerde stijl die zijn artikelen en essays kenmerken. Het is de maand van de oorlogsverklaring van Engeland, de Duitsers vallen Polen binnen, de Fransen doen iets in de Elzas maar niemand weet wat, vliegtuigen vliegen over – of en wanneer Nederland zal worden binnengevallen is onzeker. Ter Braak is duidelijk in de war en schrijft: ‘Het denken aan mijn roman, dat me de laatste maanden voortdurend bezig hield, is sedert het uitbreken van de oorlog geheel verdwenen. Men kan zich niet bezighouden met fictieve figuren, zolang deze oorlogstoestand ons behoort te trainen in het opgeven van ficties.’

Auteur: Sonja Schulte | Mentor: Raymond Frenken | Voor: De Gids

Van een bevriende muzikant kreeg ik een muziekstuk te beluisteren. Hij stuurde me het audiobestand toe. Het was nog niet af en het had geen titel. Het had überhaupt geen tekst. Het was een lange, instrumentele, hypnotiserende improvisatie. Hij noemde het een drone.

Auteur: Ron Vaessen | Mentor: Ferdinand Lankamp | Voor: Hard//hoofd

Ik kan worden wie ik wil en aan dat verbijsterende idee ga ik ten onder. Radeloos grijp ik naar hulp van buitenaf, naar wijze woorden die me vertellen hoe ik mijn leven zou moeten leven. Niet mijn ouders of het geloof, maar zelfhulpboeken: de bijbels van de boekhandel. De afgelopen zeven jaar las ik er ongeveer vijfenveertig en hunkerde naar nog honderden ongelezen exemplaren. Ik moest en zou een beter mens worden.

Auteur: Joost Vormeer | Mentor: Peter De Voecht | Voor: G.

Mijn Koreaanse naam ligt op zolder, in een grote doos tussen oude schoolboeken en gedragen kleding. Een naam op vergeeld papier, een naam die niet meer wordt gebruikt, want mijn adoptieouders gaven mij een Nederlandse naam. De Amerikaanse dichter Michael Derrick Hudson mag hem best lenen, vooral als hij denkt dat hij daarmee meer kans maakt op publicatie in tijdschriften.

Ta-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij blijkt het literaire startschot geweest te zijn voor een hevige discussie over ras en (on)gelijkheid, ook in Nederland. Ter discussie staat de vermeende volharding van racistische overwegingen in de politiek, en de status van het debat over racisme in de politiek: wie voeren het debat en heeft het wel de gewenste uitwerkingen? Kim Schoof merkt op dat alle besprekingen zich richtten op het onderwerp van het boek in plaats van op de talige verzetsdaad die het boek zélf is. Door Tussen de wereld en mij in de eerste plaats als daad van verzet te lezen, wordt echter duidelijk hoe het boek juist als literair werk een politieke lading draagt.

Er zijn geen spelelementen opgenomen in de kantooromgeving waar ik werk. Dat is niet verrassend: iedereen die er binnenkomt, gaat direct aan de slag. Spelen of fysieke oefening wordt er in algemeen gezien als vrijetijdsbeoefening en daar is nu eenmaal geen ruimte voor op het werk. Een functioneel ingerichte omgeving is gebruikelijk bij kantoorgebouwen; ruimte voor spelen is er slechts zelden, en als het er al is dan is het voor de kinderen. Dit geldt ook voor mijn kantoor, waar op elke verdieping lange gangen zijn met daaraan ruimtes voor kleine bedrijven. Bij ons geen brainstormplek waar met behulp van vreemdsoortige meubels niet alleen de lichamen maar ook de geesten losgeschud moeten worden. Er is geen trampoline om eens uitgelaten op te springen. Er zijn zelfs geen statafels voor vergaderingen.

Auteur: Maarten Buser | Mentor: Kiki Coumans | Voor: Awater

In de Angelsaksische boeken- en muziekwereld is het een bekend fenomeen: een heruitgave om een tien-, vijfentwintig- of vijftigjarig jubileum te vieren. Een muziekalbum komt opnieuw op de markt met een extra cd met daarop b-kantjes, oefenhokcovers, enzovoort. Een boek wordt opnieuw uit gegeven met voor- en nawoord en mooie nieuwe kaft, of juist als facsimile. Was Martinus Nijhoff een Brit of Amerikaan geweest, dan had zijn debuut De wandelaar zo’n jubileumeditie gekregen: de 100th Anniversary Edition.